
In samenwerking met het Affichemuseum in Hoorn toont het Drents Museum in Assen vanaf zaterdag de tentoonstelling Van Berlage tot Zwart met affiches uit de periode 1890-1940: culturele affiches met aankondigingen voor tentoonstellingen, concerten en theatervoorstellingen, maar ook politieke affiches en productaffiches.
Getoond wordt werk van kunstenaars als H.P. Berlage, Chris Lebeau, Rik Roland Holst, Jan Sluijters en Piet Zwart (foto). Het museum in belooft 'een mooie indruk van de veelzijdigheid van de kunstenaars en de diverse kunststijlen uit deze periode: van de sierlijke art nouveau, tot de strakke nieuwe kunst en de uitbundige art deco'. Van Berlage tot Zwart is tot en met 4 november te zien.
Met het verdwijnen van de papieren Tzum wordt de spoeling nog dunner, wat betreft de literaire tijdschriften uit Noord-Nederland. Roet houdt ondertussen stand, al verschijnen er soms nummers waarbij je gramietig denkt: ‘Zou het niet beter zijn als het Drents Letterkundig Tiedschrift werd samengevoegd met Maandewark Oeze volk en de Taolkraant?'
De voorjaarseditie – 34ste jaargang! – opent met een voorwoord waarin demissionair minister Liesbeth Spies voor lillik wicht wordt uitgemaakt, omdat ze zo dom is geweest het Nedersaksisch niet voor te dragen voor erkenning onder deel III van het Europees handvest voor regionale talen.
Het is tekenend dat de redactie daarna overgaat tot de orde van de dag, en geen schriftelijke actie onderneemt dit besluit aan te vechten. Middels een vlammend essay bijvoorbeeld, onderbouwd met argumenten. Opdat de mensen die de protestbijeenkomst van april niet hebben bijgewoond ook helder krijgen wat zo lillik is aan Spies en wat de gevolgen daarvan zijn. Aan debat doen ze niet bij Roet, vanwege Drenthe waarschijnlijk.
Enfin, naast de gebruikelijke gedichten dit keer zes lange prozastukken; van Gerard Stout, van Leny Hamminga, twee van de nijvere Tonko Ufkes en twee van Lukas Koops. De laatste verrast met een komische, erotische vertelling gesitueerd op de redactievloer van RTV Drenthe, waar blijkbaar geen plaats is voor passie en lust. De eerste met een melancholiek tafereel op het treinstation, waar wel plaats is voor passie en lust.
Tot slot een oproep een kort verhaal te schrijven met Drentse woorden waarmee je de ander of jezelf te kijk kunt zetten: dajakker, smakker, miethond, hiepenkriet, hoepsie of wiegelkont.
Tijdschrif Roet. Voorjaar 2012 Uitgever Het Drentse Boek Prijs 3,50 euro (32 blz.)
We hebben er lang op moeten wachten, vijftien jaar liefst, maar het is zover: Groningen (en Haren) is een boekje met literaire wandelingen rijker. Vijf stuks staan er in, samengesteld door Roos Custers en Nick ter Wal. Vrijdag werd Literaire wandeling Groningen. Door gevleugelde voeten betreden gepresenteerd, inclusief een mini-mini-wandeling.
Maar eerst werd het eerste exemplaar overhandigd aan Jean Pierre Rawie en Corien Bleeker, weduwe van Driek van Wissen. En blikte Douwe van der Bijl, 'mister Bieb', terug op de wandelgids die hij in 1988 samenstelde en waarvan in 1996 een herziene, kunstzinnige en onhandige versie verscheen.
De gids van Custers en Ter Wal is onvergelijkbaar. Niet alleen worden er zo'n driehonderd schrijvers in genoemd, het is ook verluchtigd met foto's en tekstfragmenten, er staan zelfs qr-codes in die toegang geven tot internetfilmpjes. Met andere woorden: we zijn weer helemaal bij.
Ter Wal leverde de gegevens over de dode schrijvers, Custers zette de wandelingen uit en ontfermde zich over de levende auteurs. Ook dat is een verschil met de gids van Van der Bijl, die ging vooral in op het verleden en daarmee voorbij aan het huidige millennium.
Wat niet wil zeggen dat iedere Groninger schrijver is opgenomen. "Sommige levende schrijvers zullen hun stulpje vergeefs op deze pagina's zoeken, enkele van hun dode collega's draaien zich om in hun graf, maar wij hadden nu eenmaal onze voorkeuren", schrijven de samenstellers.
En zo kan het gebeuren dat het bezoek van Louis Couperus aan de afgebroken Harmonie aan de Oude Kijk in 't Jatstraat niet en het oude woonhuis van Ronald Ohlsen aan de Visserstraat wél is opgenomen. Couperus vanwege zijn incidentele bezoek, Ohlsen omdat hij stadsdichter is geweest. Het een weegt zwaarder dan het ander.
Verder: veel W.F. Hermans, Hendrik de Vries, Belcampo en op slinkse wijze zelfs Fritzi Harmsen van Beek. Maar ook een verwijzing naar de woonboot van duizendpoot Erik Harteveld, de straat waar trotskistisch uitgever Karel ten Haaf woont en het café waar Meindert Talma en Nyk de Vries hebben geschaakt.
Kortom, zo veel van het goede in Groningen dat de rijkdom van Haren een beetje arm lijkt.
Gids
Literaire wandeling Groningen. Door gevleugelde voeten, samengesteld door Roos Custers en Nick ter Wal is verschenen bij uitgeverij kleine Uil. Prijs 10 euro (145 blz.)
Van media-aandacht moet Tonnus Oosterhoff niet veel hebben, maar tegen prijzen zegt hij geen nee. Nadat de dichter uit Klein-Ulsda eerder de Buddingh'-prijs, de Gorter-prijs, de Multatuliprijs, de Jan Campertprijs en de VSB-prijs toegekend had gekregen, mocht hij donderdag de P.C. Hooftprijs in ontvangst nemen. Oosterhoff kreeg de prestigieuze literatuurprijs uitgereikt voor zijn oeuvre als dichter, in het Letterkundig Museum in Den Haag.
Hij deed dat door eerst de knieën te buigen, alsof hij bezweek onder het gewicht van de P.C.Hooft-sculptuur. Daarna door de wenkbrauwen zo op te trekken dat op zijn gezicht een uitdrukking verscheen van 'zie mij, zie jullie, zie ons'. En tot slot door meer dan bereidwillig te glimlachen naar alles wat een camera inclusief flitser hanteerde. Er leek een knop omgezet, omwille van de verzamelde bewonderaars, de jury en uiteraard het bijhorende geldbedrag dat hem in staat stelt twee jaar ongestoord te werken.
Tijdens zijn dankwoord droeg Oosterhoff (Leiden, 1953), uit het hoofd, een gedicht van J.H. Leopold voor. Vervolgens gunde hij zijn gehoor een glimp op een aantal van zijn opvattingen. Die doen we op deze plek ongetwijfeld te kort, maar het komt er ongeveer op neer dat onbevooroordeeld waarnemen zeer moeilijk is, dat we meer kijken met onze kennis dan met onze zintuigen en dat waarnemen vooral het aanpassen is van de werkelijkheid aan onze verwachtingen.
Collegadichter K. Michel had in zijn lofrede Oosterhoff eerder als volgt geciteerd: "Het moet ongeveer zo zijn: om de wereld te begrijpen en te beheersen zijn we genoodzaakt gigantische reducties te plegen. De taal dwingt ons in een denkschema; onbruikbare verschijnselen blijven naamloos, mede daardoor worden ze niet opgemerkt of onmiddellijk vergeten. Vaak zien we die gereduceerde wereld aan voor de echte. Maar er valt duizelingwekkend veel meer zien en te ervaren, en poëzie verwijst daarnaar. Elke dichter heft zo, op zijn eigen manier, iets van die reductie op."
De jury had maar even nodig om Oosterhoff te kiezen, na een kwartier was 't klaar, verklapte voorzitter Kees Verheul. "Zijn vernieuwende poëzie heeft de Nederlandse dichtkunst van diverse keurslijven bevrijd, niet planmatig of vanuit een dichterlijke ideologie, maar door persoonlijke oorspronkelijkheid en een bijzonder talent voor het vastleggen of liever gezegd juist beweeglijk maken van moeilijk benoembare sensaties. Oosterhoffs werk is bijzonder fris, geestig, diepgravend en origineel."
En het is nog gewoon te koop in de boekhandel ook, in verzamelde vorm. Sinds gisteren onder titel Hier drijft weg. Zie vooral ook www.tonnusoosterhoff.nl.
Toen Fritzi Harmsen van Beek (1927 – 2009) nog leefde, liet ze haar uitgever beloven geen werk meer van haar uit te geven. Niet omdat ze ontevreden was over haar gedichten en verhalen, ze kon niet tegen de aandacht die publicaties mee zich meebrachten. Het getelefoneer, journalisten aan de deur, snorrende camera's, de interpretaties en vragen over haar wilde levenswandel in de jaren vijftig en zestig in 't Gooi. Ze gruwde ervan.
Aanvankelijk werkte het averechts, die schuwe opstelling. De mythe rond haar persoon – briljant, excentriek, mannenverslindster, aan de kruik – werd alleen maar groter. Maar uiteindelijk raakte ze uit beeld. Omdat ze niets meer publiceerde natuurlijk, maar later vooral omdat ze vanaf 1971 in Garnwerd was gaan wonen, een dorp waar journalisten en bewonderaars uit het Westen liever niet voor een gesloten deur wilden staan. Bij haar crematie in 2009 waren acht mensen aanwezig.
In zulk licht mag het bijzonder heten dat woensdag in het Letterkundig Museum in Den Haag haar verzameld werk is gepresenteerd. Een kloek boek, In goed en kwaad getiteld, met ruim 500 bladzijden, wat veel is voor iemand met een klein oeuvre. Liefdevol bezorgd door een legertje specialisten en getrouwen, onder wie haar erfgenamen: vriend Joost Kircz, begonnen als bijlesleraar van haar zoon, en Geertje Zwaan, overbuurvrouw uit Garnwerd en later vriendin.
"We hebben de helft van haar nalatenschap kunnen redden," vertelde Zwaan woensdag na afloop. "Op het laatst van haar leven deed ze voor bijna niemand meer open. Joop Stokkermans (componist, bouwjaar 1937) belde met het verzoek haar gedichten op muziek te mogen zetten. Hij moest eerst zijn studie maar eens afmaken. Ze was bang en snauwde vreemden af. Toen ik na haar overlijden haar huis bezocht, was veel beschimmeld en door muizen opgevreten. Zonde natuurlijk, want ze heeft schitterende dingen gemaakt."
Volgens de geschiedschrijving gaat dat vooral op voor haar debuut, Geachte mevrouw muizenpoot en achttien andere gedichten, waarmee ze in 1965 de literaire wereld overrompelde: zeer vrije poëzie waarin op volstrekt originele, maar anno 2012 niet altijd even goed te volgen wijze een verbijsterend universum wordt opgeroepen. Dat doet ze ook in Wat knaagt? (1968) en Neerbraak (1969), verhalenbundels met schetsen die zijn voortgekomen uit een even grillig als erudiet innerlijk – virtuoos beschreven, dat ook.
De verrassing van In goed en kwaad wordt gevormd door haar prentenboek voor leeftijdslozen, Gewone Piet & Andere Piet uit 1969. Maar nog meer door haar stukken voor Vrij Nederland, waar ze in de jaren zestig onder meer over beeldende kunst mocht schrijven. Het zijn deze stukken die iets vertellen over haar houding jegens het culturele wereldje waarin ze als beschonken vlinder rondfladderde: het interesseerde haar hogelijk, maar ze trof er ook veel te veel pretentieuze troep aan.
In de cultuurjournalistiek was geen carrière voor haar mogelijk, getuige het volgende citaat: "Eigenlijk is iedere vorm van kritiek in wezen belachelijk: een aanmatiging en meestal ook nog een bewijs van begripsverwarring en ontoereikendheid als iets mooi is – en het toppunt van zakkerigheid als het over rommel gaat, want waarom in godsnaam zou iemand zich daar, op een onvriendelijke manier nog wel, mee bemoeien." Ga na zo'n voltreffer maar eens een recensie schrijven.
Wat de erfgenamen betreft is met het verzameld werk het boek van Fritzi nog niet gesloten. Haar nalatenschap omvat méér dan alleen literaire teksten. Zo probeerde ze, voor ze er in villa Jagtlust in Blaricum op los leefde, serieus als illustratrice in de voetsporen van haar vader te treden, de man achter Flipje van Tiel en Noddy. Daarnaast oefende ze op vele kunstenaars een grote aantrekkingskracht uit, onder meer op Remco Campert, fotograaf Eddy Posthuma de Boer en later in Groningen op Matthijs Röling en diens Fuji Art Association.
Volgens Joost Kircz en Geertje Zwaan moet een biografie niet worden uitgesloten. In ieder geval behoort een schrijversprentenboek tot de mogelijkheden. Het archief zoals dat aan het Letterkundig Museum is overgedragen, bevat daartoe voldoende aantekeningen, krabbels, ongepubliceerd werk, foto's en brieven. (Sommige ongeopend. Want, zoals ze in 1989 in vertelde: "Ik krijg meer brieven dan ik kan beantwoorden. En als ik er één per jaar kreeg, was dat nog zo.") Maar ook een dweil uit Israël, geschonken door Judith Herzberg. Omdat Fritzi de stof van de dweil zo voortreffelijk vond, dat ze er gordijnen uit wilde naaien.
Boek
In goed en kwaad. Verzameld werk van F. Harmsen van Beek is verschenen bij uitgeverij De Bezige Bij. Prijs: 24,50 euro (512 blz.)
Tom America mogen we bekend veronderstellen van De mus, het gedicht van Jan Hanlo dat hij in 1997 op muziek zette en door Koot & Bie werd gebruikt als openingstune voor Keek op de week. Hij is een zeer origineel en eigenzinnig componist, met een knisperend melancholieke sound en een heel eigen plek in ons muzieklandschap. Trefwoorden: muziek als georganiseerd geluid, (nederlands)talig, kunst.
Het album Het lijkt me juist wel veilig op dat dak maakte America in samenwerking met het radioprogramma Kunststof. Hij selecteerde uit het archief dertien interviews om ze vervolgens in zijn studio te gebruiken voor evenzoveel 'songs' waarin de essentie van de gesprekken wordt gevangen. Een nauwgezet knip- en plakwerkje, aangevuld met zorgvuldige dosis keyboard-, snaar- en drumcomputergeluiden.
Het principe – spreekstem in liedje – wordt al jaren door America toegepast. Bijvoorbeeld in zijn bijna-hit Maternité met de groep MAM in 1986. En in 2009 maakte hij een compositie van 18 minuten met 250 stemsamples uit Tilburg. Maar dit keer komt het toch wel heel erg overtuigend uit de verf. Misschien wel juist omdat het hem, naast de taal, ook om de boodschap en bevlogenheid van zijn sprekers te doen was.
Het gebroken Nederlands van Kader Abdolah, de fijnzinnige formuleringen van A.L. Snijders, de stelligheid van Joke J. Hermsen, de verbijstering van Jessica Durlacher, de kalme verontrusting van Bernice Notenboom. Wat soms het ene oor in en het andere weer uit gaat, blijft dankzij het verbluffende raffinement van Tom America ineens heel veel langer hangen.
CD Het lijkt me juist wel veilig op dat dak Uitvoerende Tom America Label NTR. Vanaf 22/5 gratis te downloaden via www.ntr.nl/kunststof. Zie ook www.tomamerica.nl


