Tomas en Siem zien graancirkels
Rijmkroniek des Vaderlands, deel twee

'Wat is mij godverdomme overkomen?’

KoplandRutger Kopland botste 2 december 2005 met zijn auto tegen een boom. Wekenlang werd voor zijn leven gevreesd. In de documentaire De taal van verlangen vertelt de dichter uit Glimmen over het ongeluk, over zijn poëzie, de psychiatrie en zijn jeugd.

 

Het idee van stichting Beeldlijn was eenvoudig: een documentaire naar aanleiding van het 40-jarig dichterschap van Rutger Kopland. De dichter zelf voelde er wel voor en dus begonnen producent Lejo Siepe en regisseur Piet Hein van der Hoek driftig met het verzamelen van materiaal. Het enige wat in december 2005 nog ontbrak, was het alles verbindende diepte-interview.

 

En toen botste Kopland op 2 december na een hartaanval met zijn auto in Haren tegen een boom. De dichter verloor het bewustzijn, wekenlang werd voor zijn leven gevreesd. “Van de verpleging thuis herinner ik mij niets”, vertelt Kopland over die periode in de documentaire De taal van verlangen. “Ik was verstoord en agressief en werd overgebracht naar de gesloten afdeling in het ziekenhuis waar ik zelf hoofd ben geweest.”

 

Kopland, pseudoniem voor de psychiater R.H. van den Hoofdakker (Goor, 1934), voelde in het UMCG een ‘interne woede opkomen’, vertelt hij. “Ik lag op een zaal waar ik vroeger de sleutel van had en ze lieten mij niet gaan. Ik dacht: ‘Wat is mij godverdomme overkomen’.” Dat gezegd hebbende laat Kopland in de documentaire een stilte vallen om te vervolgen met: “Nou ja, het is over.”

 

Stichting Beeldlijn wilde op de eerste plaats een portret maken van een van onze grootste dichters. “Kopland is iemand die met zijn poëzie een groot publiek aanspreekt. Om die reden wilde we een documentaire voor een breed publiek”, vertelt regisseur Van der Hoek. “Maar als mens is hij helemaal niet zo toegankelijk, hij is eerder wat gereserveerd.”

 

Desondanks werden de makers nauwelijks beperkingen opgelegd. Kopland vertelt over zijn jeugd (“Ik ben met een zwaar gevoel groot gebracht. Mijn moeder dwong mij te bidden en te knielen.”), over zijn betrokkenheid bij asielzoekers (“Ik schaam mij voor dit land.”), de afwezigheid van kwaadheid in zijn poëzie (“Daar kan ik geen vorm voor vinden.”) en over het gebruik van electroshocks in de psychiatrie (“Ik heb de meest verrassende resultaten gezien.”).

 

De taal van verlangen toont ook onvermoede kanten van Kopland. Zoals zijn verzoek aan het Letterkundig Museum om een prominente plaats voor een manshoog portret en zijn liefde voor ansichtkaarten die hem inspireren tot anekdotes ‘tussen literatuur en humor’. Er zijn beelden van een cabaretoptreden en zelfgemaakte films waarop een wandelaar achter de horizon verdwijnt. Kopland: “Dingen die je normaal niet ziet op film.”

 

De nadruk ligt op de poëzie. Van der Hoek toont het voormalige kippenhok in Glimmen, waar de meeste gedichten zijn geschreven en een voordracht van Jonge Sla. En passant wordt onthuld dat zijn beroemde gedicht in een paar minuten is geschreven tijdens een kampeervakantie in de bergen en dat in eerste versie nog veel meer groenten bevat. “Ik ben er behoorlijk klaar mee”, zegt Kopland over Jonge Sla.

 

De taal van verlangen geeft een afgewogen beeld van Kopland. Bijna alle aspecten van zijn leven komen aan bod. Het ongeluk in Haren heeft de dichter niet klein gekregen, zo blijkt. Afgelopen zomer heeft hij alweer nieuwe poëzie geschreven: het gedicht Ik zit voor het raam. En afgelopen maandag stond zijn naam weer ‘gewoon’ op de lijst met sprekers tijdens een manifestatie in Groningen voor de rechten van het kind.